Ga naar de plattegrond

Zwakke Plekken

1629 - Het beleg

28 juni
Na weken van malen komt eindelijk de bodem in zicht. De mannen zijn gespannen en vechten om ieder wissewasje, geen kapitein heeft zijn waardgelders in de hand. Het water is vol donkere ruggen van vissen, die geen diepte meer vinden om in weg te duiken. Schranspartijen leveren zij op, feestmaaltijden van troepen die genoeg hebben van soldatenkost en zure wijn. Dan sijpelt ook het laatste laagje weg, de molens bij Vlijmen vallen een voor een stil, het zware werk kan nu beginnen. De mannen juichen en dragen graaftuig aan, de pikkels en houwelen en lage karren, maar hun moed spruit uit verveling voort en krijgt een schrille klank door de doodsangst, die hen eindelijk bevangt nu de tijd van ledigheid is afgelopen.

Dat zijn dan nog slechts de boeren, die het werk aan de dijken en de loopgraven moesten verrichten. Van de waardgelders komt menig man van verre, sommigen zelfs uit Zwitserland waar alleen maar bergen zijn, zegt men, en heeft van 's-Hertogenbosch nog nooit gehoord, al heeft de stad een grote naam in heel Europa. Dat stedelingen hun ommelanden vol laten lopen om vijanden af te weren komt hen nog steeds krankzinnig voor, al bemerken zij de wijsheid. Drie maanden geleden heeft Prins Hendrik de dijken laten sluiten en sinds die dag malen de molens voordurend, honderden zegt men; nu komt het verdronken land boven. Nu zullen de papen in de stad leren!

4 juli
De mannen staren naar de stad ver weg. Het kanonvuur is de laatste dagen in hevigheid toegenomen; om het kwart uur vuurt de batterij achter hen. Soms stuiven stukken steen zichtbaar van de stadsmuren op, vaker spatten hoge pluimen modder voor de muren op.
Vijf maanden beleg hebben hun sporen nagelaten op de gezichten van de mannen. Niet zijn zij gelegerd in de stralende nabijheid van de Prins, in het zuiden bij slot Maurick, wat hun opwinding oprechte diepgang geven zou, maar in het noord-oostelijk moeras hebben lot en opperbevel hen ondergebracht, waar weinig eer en geen buit te behalen zullen zijn.

21 juli
Zorglijke berichten komen uit het oosten. De spanjolen zijn, onder aanvoering van de verrader Van den Bergh, de IJssel overgestoken en naderen Amersfoort. Een koerier op weg naar de Prins verdoolde op de dijken en geraakte hier, maar vertrok niet zonder het nieuws achter te laten. De mannen zijn zwijgzaam en terneergeslagen. Nu eindelijk het water rond deze Moerasdraak is verdwenen richt de vijand ravage aan in het achterland. Sommigen zijn bang dat de Prins het beleg op zal geven om te redden wat er te redden valt, anderen verheugen zich er juist op, maar wie weet hoe hoge heren denken? Stedendwinger heeft men de Prins genoemd, en met rechte. Een zo groot heer zal zich door deze troebelen niet laten knechten.

Maar van aanvallen zal het de komende weken niet komen. Alle troepen staren naar het oosten, waar de vijand verwacht kan worden. Twee bataljons van het 17e regiment zijn gisteren vertrokken met Van Gent van Dieden, onder geheime orders, ons onvoldoende troepen latend om een aanval te wagen. Wel gaan de bombardementen in hevigheid door. Onze batterij weet keer op keer de muren te treffen, waar het geschut van het 16e, net naast ons in het westen, zijn kogels telkenmale over de muren doet zeilen, ter verderf van de burgers van deze grote stad en de gebouwen, die naar verluidt zeer groot en schoon zijn.

Sommige Zwitsers sluipen bij nacht naar de muren om de schade te bezien, zonder daartoe opdracht te hebben gekregen. Heel dapper zijn ze, maar de andere manschappen beschouwen hen als dwazen. Toch voelen ook zij de spanning, die de Zwitsers tot hun daden brengt; er wordt weinig gelachen in het kamp, de laatste weken, en veel gevochten. De drogende moerassen verpesten de lucht met hun stank. Vele vissen die de honger der mannen zijn ontkomen stierven in de verdrogende slootjes en voegen de damp van hun verrottende krengen toe.

24 juli
Een der Zwitsers heeft zijn kapitein met een plan benaderd, dat nu rondzoemt in het kamp. Op zijn nachtelijke tochten heeft hij de spuiplaats van de riviertjes, die deze stad doorsnijden, ontdekt. Heel verwonderd is hij daarover, in zijn land kent men dergelijke stroompjes niet.

Nu het water zo laag is geraakt en de afgedamde Aa en Dommel geen aanvoer meer leveren, nu staan de afwateringen bloot. Een der duikers is op instorten na verkommerd. Daarheen wil de Zwitser, een lange kerel met een woeste oogopslag, onder dekking van de nacht vaatjes buskruit brengen en die ontsteken door middel van een schot, afgegeven door ons regimentsgeschut. Zijn kornuiten lachen hem uit maar de kapitein zwijgt en is op zijn beurt naar de Stadhouder gegaan. Die heeft de Zwitser bij zich laten komen en, naar hij zelf zegt, langdurig met hem gesproken. Niemand die hem gelooft en toch, van hoge heren kan men onverwachte daden verwachten.

25 juli
Groot alarm. Om zes uur des ochtends daverden paarden ons kamp binnen, de luierende mannen verschrikkend en de marketentsters tot schreeuwen aanzettend. Geen aanvallers waren het, maar kwartiermakers die een baldakijn plaatsten en wachtposten neerzetten. Geen stonde later verscheen de Prins, te paard, in het glimmend harnas van de hoge aanvoerder. Precies als op de centsprent zag hij eruit, een schoon man met lang golvend haar en snorrebaard. Geen blik wierp hij op de tent, waar inmiddels een oorlam klaar stond, maar vergezeld van generaals en Zwitser besteeg hij de laatste dijk om, met een schuifoculair, de toestand van de muren aan onze zijde, die hij Hintham noemde, in ogenschouw te nemen. De Zwitser stond naast hem, het hoofd rood van eigendunk, en brabbelde in het koeterwaals dat de kerel in zijn tocht langs Europese legerkampen had opgedaan.

Zelden schieten zij van Den Bosch terug, kennelijk vertrouwen zij op hun verdedigingswerken of hun ammunitie raakt op. Hoe het ook zij, op deze dag schoten zij wel. Hadden zij aan de vaandels rond het paviljoen gezien, dat daar de Stadhouder zou komen? Fluiten klonk, het onheilspellend suizen dat iedere veteraan kent, maar de Zwitser, in beslag genomen door zijn gesprek met de Commandant, hoorde het niet of negeerde het. Nog geen drie vadem van hen verwijderd kwam de klap, hij stond tussen Prins en inslag in. Toen ze zijn lichaam wegdroegen kleurde zijn bloed het harnas der prins, die ongedeerd bleef.

Uivoering van het plan der Zwitser is van de baan, hij was de enige die de zwakke plek kende. Wel waard was hij zijn soldij, de prins als schild te dienen.

De hoge heren hebben wij sindsdien niet weergezien, de orders komen per koerier als tevoren.

23 augustus
Eindelijk weer goed nieuws! Van Gent van Dieden heeft de Spanjolen verslagen! niet in een direct gevecht, dat de bleue honden ontweken, maar door hen van alle aanvoer af te snijden. Groot is geest van de Prins. Van Gent van Dieden heeft Wesel veroverd, stapelplaats van des vijands voorraden- nu zal hij zich wel terug moeten trekken, zodat wij ons geheel op het beleg kunnen richten.

De mannen gniffelen om het verhaal, dat de ronde doet; hoe de burgers van Wesel de bruggen hadden opgetrokken toen Van Gent in zicht kwam en onze veldheer zich terug dacht te moeten trekken, wegens gebrek aan troepen voor een echt beleg. Hoe de burgemeester meende een daad van dapperheid te moeten stellen en de kanonnen deed vuren. Hoe de kogels van het geschut de ketting van de brug doorkliefden, de bruggen zakten en Van Gent alsnog zijn slag kon slaan.

Maar dat alles is niet van belang. De stad 's-Hertogenbosch is nu zeker onze prooi, en dat weten zij daarbinnen ook. Vanavond zullen zij onze vreugdevuren zien en de mannen horen brassen. Ook zij weten, dat de velden bijna voldoende zijn opgedroogd om eindelijk, eindelijk de onzen in staat te stellen de muren te bestormen. De mannen fabuleren over de schatten die zij zullen veroveren, over de vrouwen die zij zullen bezitten en het enige dat zij nog vrezen is een onderhandelde overgave, waarbij er geen plundering zal zijn een geen buit. Dat zal de Stadhouder ons niet aandoen, roepen zij, maar met hoge heren weet men het nooit.

Verhaal: Hinthamerpoort
Auteur: Jeroen Thijssen