Ga naar de plattegrond

Oude Wortels

130 duizend voor C.

Twintig meter hoog, soms dertig, rijst de muur van ijs uit boven het kale land. De gletsjers worden vooruit geduwd door de enorme massa's sneeuw, die in het noorden vallen. Enorme stukken steen rukken zij los uit de Noorse bergen en slepen die mee tot diep in wat later Nederland zal worden. Daar komen de ijsmassa's niet verder, wat achter aangroeit smelt aan de voorkant weer af. Zo vormt het landijs een trage lopende band die enorme stenen brengt naar een stuk aarde dat tot dan toe alleen modder heeft gekend.

Stenen brengt het ijs, en zand. Diepe kloven tekenen de gletsjermuur, goten waar het smeltwater door naar beneden stroomt. De grote stenen zijn tot kleine vermalen, tot grind, tot zand. Aan de voet van de muur storten de beekjes hun lading. De wind komt, de ijzige wind van het Saalien, en waait het zand mee naar het zuiden, waar het in droge vlakten neerslaat of harde stuifduinen vormt.

Wanneer het klimaat omslaat en de gletsjers langzaam smelten groeien kleine plantjes in het zand, taaie onkruiden die aan weinig genoeg hebben. Zij leggen de duinen vast in grote ribbels. Hun dode bladeren hopen zich op tussen de stengels van hun nazaten, en vormen de bodem voor andere, gevoeliger planten die in zand alleen niet kunnen leven. Dieren komen om van de planten te eten, en andere dieren om van de dieren te leven. Zo groot worden de beesten dat roofdieren hen niet meer aan kunnen, behalve eentje. Mammoets bevolken de vlakte, bejaagd door de mens. Een sleept zich voort, door een darmziekte aangetast, en sterft op een plek waar later twee duikers hem milennia later zullen vinden.

Het water van de smeltende gletsjers vult de vlakte, die later Noordzee heten zal. Grote rivieren kunnen hun lasten niet meer kwijt; langzaam lopen de dalen tussen de randduinen vol.

Steeds warmer wordt het klimaat. Draadachtige plantjes woekeren in het stilstaande water, veerachtige wieren en veenmos, die door de eeuwen heen tot grote kussens uitgroeien. De uiterwaarden van Aa en Dommel blijven relatief open, doordat vloedgolven, veroorzaakt door noodweer in het binnenland, de opgebouwde veenbulten weer wegspoelen. Wel ontstaan er diepe gaten, vol water en vol gegroeid met veenmos- het onderscheid met vaste grond is nauwelijks te zien. In deze gaten verdwijnen dieren om pas na vele eeuwen geheel geconserveerd weer boven te komen.

Er verschijnen mensen, steentijdmensen eerst, die het zuidelijke rivierduin alleen als pleisterplaats gebruiken. Veel later vestigen volkeren uit de ijzertijd zich permanent. Zij bouwen kleine hoeven, staan voortdurend bloot aan het geweld der elementen. Maar wanneer de Romeinen komen treffen zij de lage landen bij de zee bewoond aan, in het noorden door de Friezen en onze streken door vergeten volken.

De donk van Den Bosch kent vaste bebouwing, het dal van de Aa is een moeras waar bevers en otters wonen, en een enkele verdwaalde beer rondbanjert.

De Romeinen vragen rond het jaar nul een volksstam der Chatten om in onze streken neer te strijken en als grensposten te fungeren. Deze Bataven betrekken het gebied dat hen wordt toegewezen, maar houden de vriendschap niet heel lang in stand. In 69 na Christus komen zij in opstand.

Verhaal: Hinthamerpoort
Auteur: Jeroen Thijssen