Ga naar de plattegrond

Het luiden van de metten

Vanuit het zuiden reikt een vinger van wolken naar de volle maan. Geerten Jansz trekt zijn jas steviger om zich heen en huivert- maar niet van de kou, al dampt zijn adem in de avondlucht en tintelen zijn vingers. Hoe lang nog voor middernacht? De klokken van de stad hebben al lang de vespers geslagen, en de metten zijn nog ver weg. Hoeveel tijd nog? Nu nog zijn de toppen van de struiken van zilver gemaakt, en valt helder licht op de rietkragen, maar dat zal niet lang meer duren.

Zoiets had een ervaren schipper niet mogen overkomen, zegt hij tegen zichzelf. Zoiets was zijn neef Pieter niet gebeurd, niet zijn grootste concurrent en naaste familielid. Die maakte nooit haast om de poorten voor het sluiten gaan te bereiken, en die was toch nooit ergens te laat. Die hoorde dus nooit zijn kiel over de bodem schuren, hoefde nooit zijn boot vrij te maken van de modderbank en nooit buiten te blijven wanneer het donker viel, omdat zijn schuit moervast zat in het donkere water. En dat nog wel in november.

Geerten Jansz slaat zijn handen warm en wiegt heen en weer. Het donkere water van de Aa stroomt geluidloos langs zijn boot, houten takken vlotten mee, wind ruist in het dorrende riet. Zou het gaan vriezen vannacht? Gisteren lag een laagje rijp op de bleek bij Mien achter- de vorst is vroeg dit jaar? Geerten werpt een snelle blik op de wolkenvinger die naar de maan grijpt; het is een hand geworden. Hij staat voorzichtig op en schuifelt langs de lading groene kolen naar de plecht, om nogmaals vergeefs naar de oever te staren. Wat is het water breed als je niet kunt zwemmen. Hij haalt zijn schouders op en schuifelt terug naar zijn plek. Zelfs als hij had kunnen zwemmen en de oever bereikt, wat dan? Hij kon zijn boot niet achterlaten, ten prooi aan iedere zwerver die langskomt.

Hij gaat weer zitten. De boom staat in de modder gespietst als anker. De vingers van de wolken zijn een hand geworden en grijpen bijna de maan. Nog even en het zal donker worden. Erg donker.

Vreemde verhalen doen de ronde over het moeras. Levende mensen zonder hoofd. Heksen, die dagelijks op de bezem naar hun sabbath vliegen. Hijzelf gelooft die verhalen natuurlijk niet, maar neef Pieter wel, en dat is toch geen stommeling. En trouwens, in Zaltbommel spraken ze bij zijn laatste bezoek over niets anders dan die heksenmeester aan de overkant van de rivier. Twintig heksen zou die voor zich gewonnen hebben, zeiden ze daar, en zelfs de pastoor geloofde het.

Het is een verre tocht naar Zaltbommel, en gevaarlijk bovendien en meestal tevergeefs. Die Geldersen drijven alleen met soortgenoten handel, een schipper uit Hersend heeft daar niets te zoeken. Maar die keer wel, die keer hadden neef Pieter en hij een lading die ook de Geldersen niet konden weerstaan.

Geerten grinnikt besmuikt bij de herinnering. Jammer dat het sindsdien is misgelopen tussen Pieter en hem. Te veel gedronken, te kwaad gesproken en dan komt altijd weer dat wijf tussenbeide. Het lijkt zelf wel een heks, met haar blonde haren en hoe ze haar tieten laat zien.

Een uil. Daar roept een uil! Ver weg nog, maar dat betekent dat de heks op pad is! En wat is dat voor geluid? Het kraakt, het slobbert. Geerten duikt verder weg in zijn mantel. Is het slim om te gaan liggen tussen kolen, zodat hij van de oever af niet te zien is? Maar een vliegende heks ziet hem toch wel liggen.

Dan klinkt, ver weg toch, het geruststellende geluid van klokken- de Sint Jan slaat completen, het spookuur is nog lang niet begonnen. Wat gerustgesteld gaat Geerten weer overeind zitten. Hoe heeft hij toch zo stom kunnen zijn, hij, die al twintig jaar dit stuk rivier bevaart.

Misschien wordt hij oud, hij nadert de veertig ten slotte al. Misschien wordt het tijd om een opvolger te zoeken, een knecht eerst die naarmate zijn ervaring groeit de schipper zelf kan worden en hem, Geerten, een jaargeld kan geven. Zoals neef Pieter had moeten doen wanneer niet dat wijf- hij schudt zijn hoofd en verstijft. Weer een uil, nu dichterbij.

Op de oever zijn alle geluiden weggestorven. Janz tuurt in het donker, dat de wolken over de wereld hebben gelegd. Stilte is nooit goed, stilte is gevaarlijk. Rovers zwijgen als zij werken, en heksen? Weer huivert de schipper. Een voordeel biedt het donker, de mantel van de nacht maakt ook hem onzichtbaar. Hij houdt zijn adem in- niets, behalve het ritselen van het riet. Maar daar, in de diepste schaduw van die wilg, staat daar niet iemand?

Het turen maakt lichte vlekjes in zijn ogen en donkere, die langzaam wielen. Het is niets, het kan niets zijn, niet aan denken. Denk aan het wijf van Pieter, die met die tieten, die ze aan iedere man heeft laten zien, ook aan hem maar hij wist het wel; met die tieten kocht zij moeilijkheden, te veel kerels kwamen geilen om haar kerel een rustig leven te bezorgen. Eva had ook een appel, dat was niet voor niets. Zij dreef Pieter verder en verder van zijn familie weg, dat kocht hij voor haar lonken.

Hoor! Weer die ui, verder weg nu, maar dat andere, wat is dat? Geerten houdt weer zijn adem in, houdt zich stiller dan een dode hond- in zijn ogen wielen de vlekjes weer, maar nu ziet hij iets anders: een schouder, een hoge gestalte, een trage beweging naar voren. En hoorns! Hij ziet hoorns! Daar staat de duivel.

In het donker van de boot beweegt iets. Geerten, klam van het zweet, verstijft, lijkt in het donker te kunnen zien. Het is zijn hand, die beweegt. Zijn rechterhand schuift naar voren, als op eigen commando, als bezield, behekst. Verlamd kijkt hij toe hoe de hand een kool pakt, een harde groene kool, verbijsterd voelt hij de kille nerven tegen zijn warme hand, voelt hij de hand-met-kool rijzen tot zijn schouder en hoger nog, voelt hij de zwaai waarmee de hand de kool van zich af werpt, een grote boog, een seconde die eindeloos duurt. Dan klinkt een korte plof en een korte kreet, maar niet uit mensenkeel. Met groot geraas dringt de geschrokken koe zich tussen de wilgen door, weg van de rivier waar zij naar water en
gras op zoek was.

Geerten zakt achterover in de boot. Ergens diep binnenin hem kriebelt een kleine lach, die opstijgt en groeit, die in de gangen van zijn angst hem eerst schudden doet en dan pas schateren, zo hard dat het tegen de wallen van de stad wordt weerkaatst.

Verhaal: Hinthamerpoort
Auteur: Jeroen Thijssen