Ga naar de plattegrond

De goede moordenaar

De goede moordenaar, klaar voor vertrek.

Boven de daken schetterde al 't rood van de zon die zakte, maar koud was 't nog niet. De lui van de kazerne rammelden wat met hun wapens, 't was zeker aflossen van de wacht. Een merel zong, zoo mooi en helder datti er een beetje week van werd. Lang zou 't niet meer duren, november naderde al rap, maar tot dien tijd zong de merelman met volle borst.

Fijn zatti hier, in de valavond, op zo'n bankje dat ze aan 't stadsbestuur te danken hadden, die hooge heren die zich niet meer lieten zien toen 't park klaar was, alleen die ene keer nog, toen zij feestelijk vele mud vis loslieten in het water van de plas en de eerste vissers er hun lijntjes in legden. Maar daarna waren ze niet meer geweest. Niet datti dat erg vond, ook hooge heren moesten hun plaats kennen, net als de werkman. Zij achter hun groene tafels en aan de arm van hun dames, zo helemaal in het net, hij op 't bankje onder de merelboom.

Het rood werd iets donkerder nog en de merel zette eens extra aan. Ver weg hoorde-ni het eerste razen, het eerste tieren, die rare geluiden die hem ieder jaar weer de schrik op 't hart joegen. 't Zou niet lang meer duren nu.

Lang hatti geleefd, niet voor nix noemden ze 'm Ouwe Jan. Vijfentachtig werd-i komende november. En 't was nix gedaan, zo oud te worden. Zeven kinderen hatti op de wereld gezet, en ze met slaag en spek tot fatsoenlijke mensen op laten groeien. Lange dagen hatti ervoor moeten maken, terwijl buiten de vogels floten in het avondlicht zat i nog aan zijn werkbank, sigaren te rollen, met bewegingen die hij nu nog blindelings over zou kunnen doen, als de rimmetiek zijn handen niet zoo stijf had gemaakt. En wanneer hij dan eindelijk thuiskwam lagen de kleintjes al te slapen en wachtte zijn vrouw met het eten van de avond- altijd piepers, soms wat spek, soms wat bonen. 't Hele leven ging aan 'm voorbij in die dagen, van de kinders hatti alleen op zondag in de kerk wat kunnen meemaken. Gelukkig hadden die hun moeder, en een goede moeder was 't geweest, maar nooit sterk, nooit dat gezonde dat de buurvrouw wél had, die van de Graafseweg tot de plas schreeuwen kon. Maar niet zijn Truike, zij niet. Een rood blosje had ze altijd gehad, en dat hoestje datti niet velen kon, dat wel uit haar smalle borst los te scheuren leek. Zeven kinderen had ze gebaard in even zovele jaren en toen was 't op. Hij begreep 't wel. Iedere keer was 't vechten geweest om de kraam te overleven, en 't gevecht was haar steeds zwaarder gevallen. Als de kindertjes nu nog zijn gestel hadden geërfd, maar ach, 't was gehoest en gerochel vanaf de eerste dag van de winter, en 't hoestje van Trui klonk al snel zevenvoudig in huis. Na 't heengaan van de laatst geborene, een hoopje krimpend leven dat na een half jaar 't hoofdje neigde, toen hatti 't gelezen in haar ogen, in de stijfheid van haar lijf in bed. Begrijpen kon i 't wel, ook hij had zijn laatste beetje geloof begraven met 't kistje, zo klein dat i 't met een hand dragen kon, maar dat hatti niet gedaan; acht kleine handjes namen 't hout vast, alleen de peutertjes konden niet dragen, en legden 't op vier kleine schoudertjes. Kuchend, met rode koontjes en tranen in hun glinsterende ogen, triest maar vastberaden, hadden ze 't lijkje van hun broertje de weg afgedragen. Nu leit 't kindje naast zijn moeder, en twee van zijn broertjes, die al snel na hem bezweken. 'Tering,' zei de dokter en keek bezorgd naar de rest van 't gezin, zíjn gezin. Een sanatorium kon wellicht helpen. Lachen moest-i daarom, bitter lachen. In zulke oorden was alleen plaats voor rijken, voor kinderen van hooge heren, daarvoor ontbrak hem de beurs en ook meneer pastoor, de rijkste man die-i kende, die kon hem ook niet helpen. Wel vroeg-i wanneer 't volgende kind verwacht werd.

't Geratel van de wielen kwam langzaam dichterbij, een geluid dat de avond nog meer verdiepte. De merel zweeg al, in 't donker begonnen de gaslantaarns te branden en kou bereikte zijn voeten. Toch stond-i niet op. Hij wachtte, zoals hij ieder jaar wachtte op deze avond.

Eenmaal was-i meegereden, met 't hele gezin, helemaal tot Helmond, Wat een feest was dat geweest, zoiets hadden de kinderen nog nooit meegemaakt. Iedere dag zagen ze 't trammetje drie keer langskomen, nu mochten ze mee. Dat was na 't heengaan van zijn eigen opoe geweest, 't ouwetje dat zich met hand en tand tegen 't sterven had verzet en zodoende de negentig bereikte. Negentig, zou oud was in de buurt nog niemand geworden. Toen lag ze, koud en stil, op een zonnige morgen op haar eenzame bed. Een kous vol duiten hadden ze daaronder gevonden, want een schrap/schriep was ze altijd geweest, en meneer pastoor had hem gegeven wat overbleef na de heilige mis en de begrafenis. 'Een hoogmis,' zei de pastoor, 'zoals ze zou hebben gewild.'

Natuurlijk, ze hadden 't geld kunnen bewaren voor een slechte dag, voor de toekomst, of om iets aardigs te kopen voor in huis. Maar zij zei, datti er iets leuks mee moest gaan doen, omdat een mens z'n geld maar een keer aan iets leuks uit kon geven en heel vaak aan akelige dingen.

En zo was 't dan een reisje geworden op de tram, op de Goede Moordenaar. Rare naam was dat eigenlijk, dacht-i, maar wel toepasselijk. Een naam van 't volk, natuurlijk, dat lang geleden moet wennen aan de stoom en de herrie en de enorme snelheid van de nieuwe tram. Dat wist-i zelf ook nog wel, de ontzetting als snuivend en stampend de locomotief langskwam, toen nog niet over de Westenburgerweg, maar langs de Watertoren en dan zoo over de Graafschebaan naar Oss, Veghel en Helmond. Moordenaar hadden ze-em genoemd, omdat er dooien vielen, die eerste jaren. 't Volk was nog niet gewend, dat vreesde de stoom en de herrie maar niet de snelheid. Een oude vrouw had 't moeten bezuren, van achteren aangereden op weg naar huis, en ook een conducteur die van de trailer viel, en kinderen die speelden op de rails.

Maar 't goede hadden ze ook gezien, 't gemak waarmee zieken nu naar 't ziekenhuis konden, en families naar verre verwanten, en domweg 't opwindende licht, 't geluid, de snelheid waarmee de Moordenaar van stad naar dorp raasde. En 't idee, dat een mens reizen kon, ver van zijn huis, om de wereld te bekijken. Ook de werkman.

Nu stopten stoomlocomotieven in 't station van Den Bosch, grote zwarte dampende beesten, en wie die eenmaal had gezien was van 't trammetje niet meer onder de indruk. Maar zijn bijnaam, die hatti behouden.

't Was de laatste keer, besefte-n-i, datti haar gelukkig had gezien, zo met haar kinderen en haar jas open in de wind, 't was een onverwachts mooie dag geweest voor oktober, haast eentje als vandaag. Ze hadden wat gedronken bij 't kasteel, en de kinderen speelden met stokken dat ze ridders waren, zij had zijn arm gepakt en hem op de wang gezoend. 'Ondanks alles is 't goed geweest,' zei ze, op een toon die tussen peinzend en droef inzat en ergens kromp iets in zijn borst, maar hij wist niet wat. De nieuwe mantel, waarop-i haar had willen trakteren, die hoefde ze niet.

'Deze gaat nog wel een winter mee.'

Op de weg terug begon ze te hoesten, erger dan ooit tevoren en voor 't eerst waren ook de rode vlekken meegekomen. Heel lief en zacht en stil lag ze tegen-em aan, in 't donker van 't wagonnetje, de kinderen zochten hun heil verder naar voren, schuw als diertjes.

''t Is goed geweest,' herhaalde ze, nu zachtjes als om hem te overtuigen. De kinderen joelden; in 't donker van de wagon deden jongens met meisjes wat jongens al sinds mensenheugenis met meisjes doen.

Was 't veertig jaar geleden? Meer? Hij had de tel niet bijgehouden, en de laatste jaren wist-i niet meer precies in welk jaar ze leefden.

Achter de struiken langs de Pelssingel lichtte nu 't schijnsel van de tramlampen, 't ratelen van de wielen kaatste op 't stille water van de Ijzeren Vrouw.

Zij was niet van ijzer geweest, zijn Truike. Zien lijden hatti haar, zien wegteren tot i alleen nog een hoopje mens in bed vond, wanneer-i terugkwam van 't fabriek. Maar elke avond stond 't eten toch op tafel. Toen hatti gemerkt wat kinderen eigenlijk kunnen. De oudsten susten de jongsten en hielden zwijgend, zonder klacht of traan, 't hele huis overeind. Hun moeder zweeg en keek, te ver heen om nog uit bed te komen.

Toch kon ze nog eenmaal lopen. Laat terug was-i, er was onrust op 't fabriek, de mannen jouwden om meer loon en hij was blijven hangen, om te laten zien datti 't ermee eens was maar ook om nog niet thuis te hoeven zijn. Nu nog hatti daar spijt van. Hij had 't al meteen gemerkt, van datti de brug overkwam en de Moordenaar stil zag staan, ter hoogte van de Hobestraat. Zo gebogen stonden de mensen, het moest een ongeluk zijn. En hoe meer i nader kwam, hoe meer hij het wist. Ademloos wrong i zich door de kraag van mensen, die om de kop van tram waren samengedromd. Mensen hielden-em tegen. 'Een ongeluk,' zeiden ze. 'Niet kijken.'

Hij liet zich wegvoeren en daarom was-i nog steeds blij, datti haar niet gezien had zoals ze lag- maar hij had thuis moeten komen, eerder op de avond.

Nu piepte de tram voorbij 't bankje waarop hij zat, de wagons als kamers verlicht. Een dikke heer zat in de eerste klas, een sigaar in zijn mond, drie jonge pummels in de derde. Rammelend verdwenen ze in 't donker.

't Moest zesenveertig jaren zijn, besloot hij nu. En een ding moest-i meneer pastoor nageven. Ze werd in gewijde aarde begraven, ook al vroegen velen zich af of 't wel een ongeluk was geweest.

Hij stond op, de kou tot z'n knieën opgetrokken. Misschien datti hier over een jaar weer zou zitten. Als God 't gaf.

Verhaal: Hinthamerpoort
Auteur: Jeroen Thijssen