Ga naar de plattegrond

Bedevaart

65 na Christus - De Optio

De zompige grond zuigt aan zijn sandalen, stekels haken in zijn mantel. Vloekend haast de optio zich achter zijn gids aan, die ver vooruit loopt en op de smalle paadjes gemakkelijk uit zicht raakt. Waarom heeft hij zich laten verleiden tot een kortere weg? Hoeveel gemakkelijker was het niet geweest, de lange maar veilige weg meer naar het noorden te nemen. Hier loopt hij achter een Bataaf, de onbetrouwbaarste auxilia van het hele Rijk, in ontoegankelijk en onbewoond gebied. Hij schudt zijn hoofd. Het is niet aan een Romein om de gemakkelijkste weg te kiezen. Bovendien, een god laat je niet wachten, zeker deze god niet. Tot in Lugdunensis heeft de reputatie van Herculus Magusanus zich verspreid, de woeste Hercules van dit woeste oord. Daar heeft de optio ervan gehoord bij zijn eerste veldtocht, jaren geleden, toen al onder Cerialis. Jong was hij nog, en vurig- geen gevecht ging hij uit de weg, geen opdracht wat te zwaar.

Toch loopt hij hier nog steeds als optio, niet eens centurio. Echte mannen die willen vechten worden in Rome niet meer gewaardeerd, denkt hij. Het Rijk is verslapt en decadent geworden, wekelingen maken carriere en echte vechters, als hij, mogen de kastanjes uit het vuur halen aan de grenzen.

Een vlaag kille regen zwiept door de bloesemende struiken en klatert op zijn helm. Hoe noordelijker hoe beroerder het klimaat, dat weet hij al lang. Veel noordelijker kan hij niet meer komen. Nog honderd stadiën verder stroomt de Rijn. Daarachter loopt het land weg in de zee, waar Friezen wonen die hij alleen van horen zeggen kent. Daar eindigt de wereld, al kenden de Ouden nog het Ultima Thule, het hoogste noorden- maar wie gelooft een stelletje dooie Grieken? Nog onwaarschijnlijker verhalen heeft hij gehoord, over bergen van ijs, die drijven op water. Even grinnikt hij. Zoiets kan zelfs een oude Griek niet verzinnen.

Boven de toppen van de hem onbekende heesters, begint het wolkendek te donkeren als teken van aanstaande regen. Wat een klimaat. Geen wonder, dat de bewoners zo achterlijk gebleven zijn. Boeren en ruiters, nuttig als bondgenoten natuurlijk, maar hoe betrouwbaar zouden ze werkelijk blijken te zijn? Deze gids is een heel aardig voorbeeld- heel vriendelijk, op de heuvel waar de boot van de optio heeft aangelegd. Daar woont hij met zijn familie in armzalige hutten, en waant zich toch heer en meester van dit ommeland. Vriendelijk op het kruiperige af, was hij, met een oog op tas waarin de optio zijn wijgeschenk had, het andere op het gezicht van deze onverwachte bezoeker gericht. Er school iets in zijn ogen dat de optio niet beviel. Het broeit onder de Bataven, heeft zijn Legatus gewaarschuwd, maar dat interesseert de optio niets. Hij moet naar de tempel, zo snel mogelijk, en wat kan deze Bataaf hem doen? Die is ongewapend, op een jachtmes na, de optio heeft zijn zwaard. Hij gebaart: op weg. De Bataaf spreekt even met zijn vrouw, een onverstaanbaar brouwen dat de ouden niet voor niets 'barbar' hebben genoemd. Sommigen hebben het Romeinse burgerrecht verworven, maar daarmee nog niet de Romeinse beschaving. Vort gaat het. De boer loopt vijfhonderd meter over weiden en duikt dan een groen dal in, waar witte bloemen in schermen tussen stekelige heesters groeien. Zij verspreiden een bedompte, zoete geur, als van een lijk. Met enige weerzin volgt de optio.

Een half uur verder zijn ze nu, maar hoever ze zijn gevorderd kan hij niet bepalen. De paadjes kronkelen schijnbaar zonder bestemming, wolken bedekken de zon zodat hij geen richting houden kan. Op de kruipdoor- sluipdoor paadjes is zijn schild een grotere belasting dan hij toe zou willen geven. De dingen zijn hem steeds meer tot last. Als hij de tempel bereikt zal het maar net op tijd zijn. Er bestaat natuur-lijk geen god bij wie het sterven af te kopen is, maar misschien dat een zo strijdbare god nog iets kan doen voor een oude legionair, die zijn zwaard altijd trouw is gebleven. Dat is wat de priesters beweren. Niet dat de optio veel opheeft met voorspellingen van oude wijven.

"Je voeten, let op je voeten," heeft de Sybillijnse hem als kind verteld, maar welke legionair sterft aan zijn voeten? Het zwaard, de speer, de strijdwagens, daar heeft hij op moeten letten, en op fakkels, op wilde beesten, op olifanten zelfs. Maar voeten? Flauwekul.

Waar is die gids zo gauw gebleven? Waakzaam houdt de tribuun halt en neemt de omgeving in zich op. Het pas aan zijn voeten verdwijnt in weer een onoverzichtelijke bocht. Het struikgewas is hier extra dicht, het pad nog nauwer dan even terug, maar dat is niet was zijn dinges heeft gewekt.

De vogels zijn stil.

Hij duikt wat in elkaar en legt zijn hand op het gevest van zijn zwaard. Stilte duit op mensen, mensen vormen gevaar. De gids, waarschijnlijk, maar niet alleen. Alleen zou hij geen Romein durven aan te vallen. Er liepen potige kerels rond op de hoeve daarboven, die zouden het wel zijn.

Terugkeren op zijn schreden, de weg naar zijn schip in zijn eentje vinden? Het achter hem is er een van talloze andere, bochtig en onoverzichtelijk. Wanneer hij vlucht zal hij prooi zijn.

Met getrokken zwaard gaat hij voorwaarts, het schil op zijn rug, zijn knieꬠgebogen. Vijftien passen is de bocht, dan wijken de muren van stekelig groen, kleine bloemen bloeien in een roodgekleurde weide. Vreedzaam lijkt het, maar nog steeds zwijgen de vogels. Ergens staren vijandige ogen naar hem.

Wat zou hij doen, in hun geval. Hij zou gebruik maken van de open ruimte; voor de enorme wapens van deze barbaren is de gang te nauw. Niet vooruit, de weide in dus. Meteen links rijst een bosje jonge berken kaarsrecht op uit het gras. Daar zal hij langs lopen, om tussen de dunne stammen bescherming te zoeken wanneer hij wordt aangevallen. Gespannen loopt hij verder, de bodem veert onder zijn voeten.

Nog geen actus heeft hij de bosrand gevolgd, of achter hem klinkt luid gekraak. Hij keert zich om. Daar is zijn gids, daar zijn twee harige rabauwen die hij op de hoeve gezien kan hebben-barbaren lijken allemaal op elkaar.

De optio trekt zich terug tussen de stammen. In looppas naderen de boeren. Ze schreeuwen, ze brullen, ze steken met hun houten rieken alsof het speren zijn. Met licht medelijden wacht de optio hen op, zijn zwaard getrokken, een haag van dunne stammen tussen hem en zijn belagers. Weten zij niet wat een Romeins soldaat eigenlijk is? Een vechtmachine, een veroveraar, een heerser. En daar komen die sukkels aangerend, zonder systeem, zonder rugdekking, luid brullend om hun angst te onderdrukken. Zijn mededogen slaat om in minachting. Hij zal ze eens wat laten zien.

Zijn zwaard maakt korte metten met de houten vorken, die machteloos tussen de witte stammen poken. Al snel ligt er een hand tussen de bladeren, de stam van de vork nog vast, en grijpt een baardige dinges jammerend naar de stomp van zijn arm. Haast mechanisch weer de optio af en slaat toe. Er is een grote rust over hem gekomen, die verder gaat dan routine en concentratie. Het is of hij, al vechtend, de grond van zijn bestaan bereikt, alsof vechten zijn wezen is. Misschien dat de god die over zijn geboorte waakte wel een krijger was, de krijger voor wie hij hier naartoe gekomen is, naar dit moerassige gebied waar de wolken laag hangen aan de hemel en de zon zelden schijnt.

Met twee, drie schijnbewegingen brengt hij de tweede aanvaller uit positie, zijn zwaard beëindigt het karwei. Nog eentje te gaan, zijn voormalige gids die met een indrukwekkend wapen zwaait, zwaar, zwart, haast even groot als hijzelf. Tegen de regels maar op een ingeving springt de optio uit zijn dekking tevoorschijn. De boer aarzelt. Half hoog houdt hij zijn machtige zwaard, maar hoger komt het niet. De optio heft zijn wapen, zet een stap naar voren. Met een ruk draait de boer zich om en vlucht, het zwaard als een lamme arm achter zich aan. De optio heft zijn wapen als om het tussen de schouders van de vluchteling te werpen, maar houdt in. De voetstappen van deze dwaas zullen hem de weg terug wijzen, als dat ten minste nodig is.

Nu de spanning van het gevecht is geweken voelt de optio pas hoe moe hij eigenlijk is. Hij laat zich vallen waar hij staat. Het gras is koel aan zijn gezicht, de zachte grond is een matras. Zo moe zou hij een jaar geleden niet zijn geweest. Hij sluit zijn ogen, eventjes maar.

Een uur later schrikt hij weer wakker. Even weet hij niet waar hij is. De voorkant van zijn tuniek is doorweekt. Vogels fluiten, een klein zonnetjes staat net boven de toppen van de heesters, achter hem ligt een dode in het gras. Hij staat op en wringt het water uit zijn kleren. Waar zou die andere zijn? Een breed bloedspoor loopt weg tussen de berkestammen, de optio heeft weinig zin het te volgen. De barbaar is al dood of zal het spoedig zijn, in welk geval volgen zinloos is, óf hij heeft tijdig hulp gekregen en die wil de optio niet tegenkomen; één gevecht per dag is tegenwoordig genoeg.

Hij heeft te lang geslapen. DE gevluchte boer zal inmiddels zijn hele heuvel hebben gealarmeerd, het scheepje dat hem tot hier heeft gebracht moet de optio maar uit zijn hoofd zetten. Het is zaak zo snel mogelijk verder te trekken. Maar in welke richting?

Nogmaals kijkt hij naar de zon, die zo laag staat dat de avond al wel aangebroken moet zijn. Met de zon aan zijn linkerhand loopt hij naar het noorden. Niet langer geaarzeld nu. Hij recht zijn rug, schuift het schild in marspositie en voelt of het wijgeschenk nog in de zak zit. Dan stapt hij aan, naar het noorden de rossige weide over.

Na tien stappen loopt het water zijn sandalen in, na twintig zakt zijn voet tot aan zijn enkel weg. Grote pollen ruig gras steken uit het moeras. Even neemt hij pauze en bekijkt mogelijke routes. Terug en eromheen? Hoe erg kan het zijn? De geestkracht ontbreekt om nog een omweg te nemen. Nog vier passen doet hij, zijn benen hoog opzwaaiend. Dan zinkt zijn linkerbeen tot de lies toe weg, bruin water spat tegen zijn handen. Geschrokken trekt hij terug, maar het been zit muurvast, en al worstelend raakt ook het andere gevangen.

Wat nu? De optio kijkt om zich heen. Geen takken of struiken binnen handbereik, waaraan hij zich op zou kunnen trekken. Ook geen vijandige boeren in zicht, gelukkig. Tijd genoeg om een plan te bedenken.

Dan dringt het tot hem door dat hij zinkt. Langzaam, weliswaar, maar de overgang van vlees in bruin water is uit zijn liezen gekomen en nadert zijn heup. Het gewicht van zijn schild drukt hem omlaag! Haastig rukt hij de riemen los die het schild op zijn rug houden, en werpt het weg. De beweging drukt hem dieper in het veen. Met ingehouden adem wacht hij af. Het zakken is niet gestopt. Zijn helm, zijn pantser, zelfs zijn tunica volgen, maar moedeloos moet hij constateren dat het niet helpt. Naakt staat hij ten slotte tot zijn middel in het moeras, alleen de zak met het wijgeschenk nog om zijn schouder. In de bosrand zwijgen nu de vogels.

De Herculus Magusanus uit Bonn

Verhaal: Hinthamerpoort
Auteur: Jeroen Thijssen